Breekbaar is de mens,
hulpeloos en klein,
als hij de aarde betreedt:
Prima materia.
Wij leven ons leven als
bijen die zwermen
en honing vergaren:
Purificatio.
Als de dood komt oogsten
en de mens weer vertrekt,
dan laat de vrucht zich zien:
Ultima materia.
Elk mens is
Een magneet, die
Steeds weer aantrekt
Wat bij hem hoort.
Beeld is de mens
Van God, de Ene,
Die zich drievoudig
Openbaart.
Gelijkenis was de mens
Van God, de Ene,
Hemels en gesponnen
Van licht.
Verduisterd werd het licht,
Aards werd de hemel
Het leek het einde
Van Gods weg.
Maar toen kwam de Zoon, die
Als limus coelorum de band
Tussen hemel en aarde
Weer herstelde.
Stralend als de Zon
Zal eens de mens gelijken
Op God, de Ene:
Paradijselijk.
Vrucht.
Vol gerijpt,
gevuld met ervaringen
uit het grote labyrint:
Zaad.
Zwaar hangt de peer,
als een druppel, die
nog juist niet valt.
Zwaar is onze vrucht,
vallend in het niets.
Hoe licht zijn wij dan!
Ondraaglijk was het leed dat
hij op zijn schouders torste.
Diep de vreugde, te leven
in het aards bereik.
Ten slotte brak hij,
omhelzend de ezel, die
alle slagen verdroeg:
Een beeld van zijn leven.
Hij wist het al eerder:
Er is slechts één weg
in het leven en
dat is die van jezelf.
De vrucht is rijper
dan we weten;
voller, sappiger, zoeter wellicht.
Misschien ook zuur,