Uitgeverij De Woudezel


Paracelsus:

De weg van Christus

Met een inleiding van
Anton Dekkers

Vertaling: Anton Dekkers en Elke Bußler
283 pagina’s
Ingenaaid gebrocheerd
Formaat: 15 x 22 cm
ISBN: 978-90-821760-6-3
Verschijnt in mei 2026
Prijs: EUR 35,00
CoverChristus2.jpg



Met De weg van Christus is eindelijk het 'theologische tweeluik' voltooid waar precies vier jaar geleden het eerste deel van verscheen:
De weg van David. Terwijl het eerdere werk aanknoopt bij Psalm 119 – waarmee Paracelsus evenwel de boog spant tot het einde der tijden, aangezien hij in David een prefiguratie van Christus ziet – wordt in De weg van Christus aan de hand van drie teksten een beeld geschetst van de christologie en de mariologie van Paracelsus.

De titel De weg van Christus is niet van Paracelsus zelf afkomstig. Er is voor gekozen omdat hij goed weergeeft wat de insteek is van De genealogie van Christus, het hier opgenomen laatste grote werk uit zijn vroege theologische periode. Daarin wordt niet alleen ingegaan op de – hemelse – afkomst van Christus, maar ook op zijn weg naar de toekomst. Christus kan in de mensen gaan leven of, anders gezegd, mensen kunnen deelachtig worden aan het opstandingslichaam van Christus. Dit aspect komt vooral in het boek over het Avondmaal aan de orde.

De grondtoon van het hele theologische werk van Paracelsus is dat met Christus er een geheel nieuwe schepping heeft plaatsgevonden. Zoals Adam de eerste geschapen mens was, de 'eerste Adam', was Christus de tweede Adam. Wij kunnen aan deze nieuwe schepping deelhebben door het levende geloof. We krijgen dan naast ons oude, zichtbare lichaam een nieuw, onzichtbaar lichaam, verbonden met het opstandingslichaam van Christus. Het Avondmaal dient daarbij als concrete voeding van dit nieuwe lichaam.

Een belangrijk deel van het boek gaat over Maria. Maria is voor Paracelsus een incarnatie van Sophia, Vrouwe Wijsheid, die vooral beschreven is in de Wijsheid van Jezus Sirach. Paracelsus kan dus zeker gezien worden als een vertegenwoordiger van de sofiologie. In zijn vroege werk duidt hij Sophia als de vrouw van God Vader. Maria, als incarnatie van de Wijsheid, heeft een hemels lichaam, dat bedekt is door een min of meer aards laagje, zodat de mensen niet kunnen zien wie zij eigenlijk is.

Hetzelfde geldt voor Christus. Deze voorstelling vinden we in het monofysitisme, dat ook in de tijd van Paracelsus talrijke aanhangers heeft en allerlei variaties kent. De consequentie van dit idee – dat Christus slechts één natuur heeft, namelijk een goddelijke – is dat het moeilijk is om dood en opstanding te begrijpen. Paracelsus belicht dit probleem vanuit verschillende kanten.

In de inleiding worden alle hoofdstukken van context en uitleg voorzien. Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre Paracelsus al dan niet in de conciliaire en de daarop aansluitende katholieke traditie past. Dit is vanuit twee gezichtspunten gedaan: enerzijds vanuit de christologie en het monofysitisme, anderzijds vanuit enkele paracelsische hoofdmotieven: kenvermogen, ontwikkeling, rijping.

Samen met De weg van David biedt dit werk een goed onderbouwde kennismaking met de paracelsische theologie, terwijl in Laat iedereen zijn eigen koning zijn meer de hieruit voortvloeiende praktisch-ethische kwesties worden besproken.